8.1. Bedrijfsvoering
Indicatoren | |||||||
Realisatie | Streefwaarden | ||||||
2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |
Verplichte indicatoren (BBV) | |||||||
N.v.t. | |||||||
Eigen indicatoren | |||||||
Gemiddeld ziekteverzuimpercentage 1) | < 6% | ||||||
Percentage externe inhuur (in relatie tot de Roemer-norm) 2) | < 10% | ||||||
Personeelsverloop 3) | 10-15% | ||||||
Duurzame inzetbaarheid en opleiding: | |||||||
- percentage medewerkers dat verplichte opleidingen heeft afgerond | 90% | ||||||
- percentage bestede uren 4) | 5% | ||||||
- percentage besteed PDBI-budget | 50% | ||||||
Met ingang van de Begroting 2027 willen wij in de P&C-cyclus via bovenstaande indicatoren de kwaliteit van de bedrijfsvoering monitoren.
- Dit betreft het 12-maandsgemiddelde, peildatum 1 januari.
- De Roemer-norm bepaalt dat maximaal 10% van de totale personele uitgaven besteed mag worden aan externe inhuur.
- Dit betreft het aantal vertrekkende medewerkers afgezet tegen het totaal aantal medewerkers in vaste dienst.
- Dit betreft het aantal bestede uren afgezet tegen het aantal te werken uren volgens het dienstverband.
Prestaties |
|---|
Prioriteiten
Digitale transformatie
- Uitvoering geven aan datagedreven werken onder andere door een multiteam Data en AI.
Overig
- Uitvoeren wettelijke taak VTH (extra jurist om te komen tot een juiste vergunningaanvraag);
- Ondersteunen bij bezwaar-, klacht- en beroepsprocedures door de Commissie rechtsbescherming (extra ondersteuner en secretaris).
Regulier
Digitale transformatie
- Opstellen nieuw beleidsprogramma Digitale transformatie;
- Doorontwikkelen klantportaal;
- Bewustwording rol medewerkers in relatie tot informatiebeheer;
- Voldoen aan NIS-2 wetgeving;
- Vernieuwen generiek zaaksysteem en subsidiesysteem;
- Reduceren afhankelijkheid van big tech leveranciers (digitale autonomie).
ICT
- Waarborgen continuïteit en betrouwbaarheid diverse systemen.
Facilitair
- Starten met de renovatie van Martinikerkhof 12 (MK12);
- Realiseren masterplan toekomstbestendig Noordelijk Archeologisch Depot.
HRM
Lerende wendbare organisatie:
- Opleidingsplan uitvoeren;
- Professionaliseren van on- en off-boarding zodat medewerkers vlot operationeel zijn en zorgen voor een goede overdracht bij vertrek conform uitvoeringsprogramma Horizon;
- Vervolgen leiderschapsprogramma met aandachtspunten uit uitvoeringsprogramma Horizon (onder andere de rolverduidelijking management en risicobeheersing);
- Starten met doorontwikkelen talentgericht werken als integraal onderdeel van HRM.
Duurzame Inzetbaarheid:
- Doorontwikkelen en professionaliseren Arbo-organisatie door middel van verzuimbeleid en Arbobeleid;
- Voortzetten van de gerichte projectaanpak met vier actielijnen om duurzame inzetbaarheid van medewerkers te vergroten.
Financiën
- Afronden technische implementatie nieuw financieel systeem;
- Voortzetten integratie- en adoptieprogramma nieuw financieel systeem.
Bijdrage verbonden partij aan beleidsdoel
N.v.t.
xxxx |
|---|
xxxx |
Kosten van overhead
Bedrijfsvoeringskosten zijn de kosten van het ambtelijk apparaat, zoals salarissen, huisvesting en opleidingen. Te onderscheiden zijn directe kosten en indirecte ofwel overheadkosten.
Directe kosten zijn te relateren aan overige programma's, dit zijn voornamelijk salariskosten.
De overige kosten zijn overheadkosten, zoals bijvoorbeeld huisvesting, ICT, HRM en financiën die in dit programma zijn opgenomen.
In onderstaand overzicht maken wij inzichtelijk hoe de bedrijfsvoeringskosten voor 2027 zijn opgebouwd. Ook is hierin opgenomen hoe de directe apparaatskosten in 2027 over de programma's worden verdeeld en welk bedrag aan overheadkosten voor 2027 in dit programma wordt begroot.
Overzicht apparaatskosten 2026-2030
(x € 1.000) | Begroting | Begroting 2027 | Meerjarenraming | ||
|---|---|---|---|---|---|
2026 | 2028 | 2029 | 2030 | ||
na wijziging | |||||
Personele apparaatskosten | 98.993 | 102.655 | 95.562 | 98.003 | 101.500 |
Materiële apparaatskosten | 25.282 | 28.612 | 22.924 | 23.078 | 23.624 |
Totale apparaatskosten | 124.275 | 131.268 | 118.485 | 121.081 | 125.124 |
Waarvan toegerekend aan: | |||||
- programma's | 55.796 | 60.785 | 57.678 | 60.247 | 63.736 |
- overhead | 63.964 | 67.723 | 56.477 | 56.821 | 57.375 |
Totaal exploitatie | 119.760 | 128.508 | 114.155 | 117.068 | 121.111 |
- investeringswerken | 4.515 | 2.760 | 4.330 | 4.013 | 4.013 |
Totaal toegerekend | 124.275 | 131.268 | 118.485 | 121.081 | 125.124 |
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat apparaatskosten in 2027 in totaal € 131,3 miljoen bedragen. Hiervan wordt € 60,8 miljoen toegerekend aan de begrotingsprogramma's en € 67,7 miljoen aan overhead.
Het resterende deel betreft de toerekening aan investeringswerken die op de balans worden geactiveerd en vervolgens in het jaar na ingebruikname worden afgeschreven ten laste van de exploitatie.
8.2. Algemene dekkingsmiddelen
De algemene dekkingsmiddelen zijn inkomsten waarmee we geplande uitgaven dekken.
Hieronder is een overzicht van de (verwachte) ontwikkelingen in de algemene dekkingsmiddelen en onvoorziene uitgaven opgenomen.
Overzicht saldi algemene dekkingsmiddelen 2025-2030
(x € 1.000) | Realisatie 2025 | Begroting 2026 na wijziging | Begroting 2027 | Begroting 2028 | Begroting 2029 | Begroting 2030 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
Algemene dekkingsmiddelen | 433.477 | 462.574 | 393.573 | 395.972 | 397.807 | 395.973 | |
1. Uitkering Provinciefonds | 331.898 | 350.857 | 286.886 | 295.487 | 297.506 | 294.671 | |
2. Opcenten provinciale belastingen | 68.262 | 75.104 | 75.698 | 75.698 | 75.940 | 77.182 | |
3. Geldleningen en uitzettingen | 26.930 | 30.301 | 24.675 | 20.292 | 18.011 | 17.770 | |
4. Deelnemingen | 5.765 | 6.600 | 6.600 | 6.600 | 6.600 | 6.600 | |
5. Onvoorzien | -500 | -500 | -500 | -500 | -500 | ||
6. Overige algemene dekkingsmiddelen | 622 | 212 | 214 | -1.605 | 250 | 250 | |
Saldo mutaties reserves programma 8 | -42.953 | -12.000 | 33.785 | 18.931 | 18.716 | -2.395 | |
Saldo algemene dekkingsmiddelen | 390.524 | 450.574 | 427.358 | 414.903 | 416.523 | 393.578 |
Hierna lichten wij de onder het onderdeel Algemene dekkingsmiddelen gespecificeerde onderdelen 1. tot en met 6. kort toe. In de financiële begroting geven wij een totaalbeeld van de baten en lasten en gaan wij op de financiële positie in.
1. Uitkering Provinciefonds
De raming van de uitkering uit het Provinciefonds voor 2026 en volgende jaren hebben wij gebaseerd op de septembercirculaire 2026. In onze meerjarenramingen volgen wij ten aanzien van de raming van het Provinciefonds een behoedzaam scenario. In het behoedzame scenario houden wij jaarlijks structureel € 0,5 miljoen als buffer aan, waarbij jaarlijks het bedrag met € 0,5 miljoen toeneemt. Voor 2026 is de behoedzaamheidsbuffer € 0,5 miljoen en oplopend tot € 3,0 miljoen in 2031.
Op 23 juni 2026 is door het IPO-bestuur unaniem ingestemd met het voorstel voor de nieuwe verdeling van het Provinciefonds. Dit besluit is op 24 juni 2026 aangeboden aan de fondsbeheerders (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Financiën). Het kabinet heeft het voorstel overgenomen en op haar beurt op 3 juli 2026 beide Kamers hierover geïnformeerd. Door de fondsbeheerders is het voorstel van de twaalf provincies voor de verdeling van het Provinciefonds verwerkt in de begroting van het Provinciefonds 2027, waarover de provincies door het Rijk in de septembercirculaire 2026 zijn geïnformeerd.
Naast het voorstel voor de nieuwe verdeling van het Provinciefonds wordt in de brief van het IPO-bestuur aan de fondsbeheerders ook ingegaan op de benodigde vergroting van de omvang van het Provinciefonds. In IPO-verband blijven we inzetten op goede interbestuurlijke samenwerking met het Rijk en de voortzetting van het overleg wat we in het kader van het verdeelmodel hebben gehad, om zo ook de omvang van het Provinciefonds groter te krijgen en voldoende middelen te krijgen om (toekomstige) ontwikkelingen en taken op gebied van OV, infra en natuur goed uit te kunnen blijven voeren.
Ten opzichte van de Perspectiefnota 2027, waarbij de uitkering uit het Provinciefonds was gebaseerd op de meicirculaire 2026, zien wij op basis van de septembercirculaire 2026 een positieve ontwikkeling van de uitkering uit het Provinciefonds. Voor een nadere op de ontwikkeling van onze uitkering uit het Provinciefonds verwijzen wij naar de Financiële begroting.
2. Opcenten provinciale belastingen
Wijziging maximumtarief opcenten
Het Rijk stelt jaarlijks het maximale niveau van opcentenheffing vast. Provincies kunnen vervolgens zelf bepalen in hoeverre zij de vrije capaciteit willen benutten. Deze indexering vindt plaats op basis van de ontwikkelingen van de tabelcorrectiefactor ofwel de consumentenprijsindex die van CBS afkomstig zijn.
Het verschil tussen het wettelijk toegestane aantal opcenten en het feitelijke aantal is de vrije belastingcapaciteit. Per 1 januari 2027 bedraagt het wettelijke maximum naar verwachting 147,7 opcenten. Dit is een stijging van 2,6% of wel 3,7 opcenten ten opzichte van 2026.
Tarieven vanaf 2027
Het aantal opcenten dat de provincie Groningen vanaf 1 januari 2027 heft, bedraagt 95,7. Dit is gelijk aan het tarief in 2026. Bij de Perspectiefnota 2024 is besloten voor 2025 en verder de trendmatige ophoging van het opcententarief met de consumentenprijsindex los te laten en te rekenen met een gelijkblijvend tarief van 95,7 opcenten te rekenen.
Relatie met uitkering Provinciefonds
Er is een relatie tussen de opcentenheffing en de algemene uitkering uit het Provinciefonds. De verdeling tussen de provincies van de totale omvang van het Provinciefonds is gebaseerd op verdeelmaatstaven waaronder de opbrengst voor de motorrijtuigenbelasting.
Voor het verdeelmodel Provinciefonds is de opbrengst per opcent motorrijtuigenbelasting als negatieve inkomstenmaatstaf gehanteerd. Deze maatstaf beoogt de tussen de provincies bestaande verschillen in belastingcapaciteit in belangrijke mate te compenseren. In situaties waarin het totale provinciale belastinggebied groter van omvang wordt en/of waarin ons aandeel in het totale provinciale belastinggebied afneemt zal de compensatie via het Provinciefonds stijgen. En omgekeerd zal deze dalen. Het door de provincie gehanteerde opcententarief heeft geen invloed op het verdeelmodel, aangezien voor het verdeelmodel voor alle provincies gerekend wordt met een fictief tarief. Met ingang van 2026 wordt gerekend met een tarief van 80,3 opcenten, zijnde 90% van het gewogen gemiddelde opcententarief.
In de paragraaf Lokale heffingen het beleid ten aanzien van de opcentenheffing motorrijtuigenbelasting alsmede de lokale lastendruk toegelicht. Daarbij is tevens de lokale lastendruk vergeleken tussen provincies onderling. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar deze paragraaf.
3. Geldleningen en uitzettingen
Het saldo van de financieringsfunctie betreft het saldo van de rentebaten en -lasten van de uitgezette middelen.
De tijdelijke overtollige middelen van zowel de provincie als de derde partijen waarvoor de provincie de treasuryfunctie uitvoert staan op de rekening-courant bij de Staat en bij medeoverheden waar de provincie geen toezichtrelatie op heeft. Over de saldi in rekening-courant van deze derde partijen worden de overeengekomen rentevergoedingen berekend en verantwoord.
De nazorgmiddelen worden specifiek uitgezet voor de eeuwigdurende nazorg van de gesloten stortplaatsen en baggerspeciedepots. De rendementen van deze beleggingen worden jaarlijks toegevoegd aan de nazorgfondsen.
De rentebaten van de uitgezette middelen in het kader van de publieke taak worden geheel toegevoegd aan de Algemene dekkingsmiddelen van de provincie.
Jaarlijks worden de ramingen van de rente en dividenden in het voorjaar ten behoeve van de perspectiefnota geactualiseerd. Relevante ontwikkelingen nadien worden in de begroting meegenomen.
Voor een nadere toelichting verwijzen u naar de paragraaf Financiering waarin wij ingaan op de ontwikkelingen in de financiering van de provincie en naar paragraaf A.1 Leningen, garanties en waarborgen waar wij de risico's van de leningen die in het kader van de publieke taak verstrekt zijn vermelden.
4. Deelnemingen
Onze provincie neemt per 31 december 2025 deel in het aandelenkapitaal van:
- Groningen Airport Eelde N.V.
- N.V. Waterbedrijf Groningen
- N.V. Bank Nederlandse Gemeenten (BNG)
- N.V. NOM (Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij voor Noord-Nederland)
- Enexis Holding B.V.
- Investeringsfonds Groningen B.V.
- Groninger Groeifonds B.V.
- Gebiedsontwikkeling Oostpolder B.V.
Per 6 juli 2026 nemen wij ook deel in het aandelenkapitaal van de Herstructureringsmaatschappij Drenthe-Groningen B.V.
Het reguliere dividend van de aandelen Enexis en de aandelen BNG wordt voor 2027 geraamd op ongeveer € 6,5 miljoen respectievelijk € 0,1 miljoen.
Deze deelnemingen zijn eveneens opgenomen in de paragraaf Verbonden partijen (Vennootschappen en coöperaties).
5. Onvoorzien
In de begroting dient een budget te worden opgenomen ten behoeve van onvoorziene uitgaven.
De hoogte van de reservering kunnen uw Staten vaststellen. Voor de jaren 2027 en verder gaan wij uit van een bedrag van € 500.000. Door adequate kredietbewaking tracht de provincie het aantal onvoorziene tegenvallers zoveel mogelijk te beperken en hierdoor het beroep op onvoorzien zoveel mogelijk te voorkomen.
6. Overige algemene dekkingsmiddelen
Het saldo overige algemene dekkingsmiddelen betreft het saldo van de lasten en baten die worden geraamd onder de overige algemene dekkingsmiddelen. Dit saldo bestaat uit een nog te ontvangen btw-compensatie in verband met IPO (€ 0,11 miljoen per jaar), de geraamde vrijval BTW-compensatiefonds (€ 0,14 miljoen) en het surplus op de Stelpost autonome taken 2025 tot en met 2027 (€ 0,04 miljoen per jaar).
Vennootschapsbelasting
Met ingang van 1 januari 2016 geldt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ook voor overheidsondernemingen. Dit betekent dat de provincie onder voorwaarden belastingplichtig kan zijn voor de vennootschapsbelasting (vpb).
Op basis van een inventarisatie en afstemming met de Belastingdienst bij invoering van de vpb voor overheidsondernemingen was de conclusie dat de provincie geen activiteiten heeft die leiden tot betaling van vennootschapsbelasting. Bij nieuwe activiteiten worden fiscale aspecten beoordeeld, waaronder mogelijke vpb-plicht.
